Bv cvba HCGB Advocaten • Amerikalei 215, 2000 Antwerpen • T + 32 3 259 09 59 • F + 32 3 237 60 36 • 

Terug naar het overzicht

Beroepsmatig gebruikt onroerend goed verkocht na echtscheiding : in wiens hoofde is de meerwaarde belastbaar?

Twee echtgenoten waren gehuwd onder het wettelijk stelsel.  Tijdens hun huwelijk kochten zij een onroerend goed aan dat aldus tot hun gemeenschappelijk vermogen behoorde.  Eén van de echtgenoten gebruikte het onroerend goed voor beroepsdoeleinden en boekte afschrijvingen die fiscaal in mindering werden gebracht.  Vele jaren later volgde een echtscheiding, waardoor het onroerend goed verder in onverdeelde eigendom aan hen beiden toebehoorde.  De ene echtgenoot bleef het onroerend goed beroepsmatig gebruiken.  Na stopzetting van de beroepswerkzaamheid van de ene echtgenoot, verkochten de voormalige echtgenoten het onroerend goed met een significante meerwaarde.  De voormalige echtgenoten ontvingen elk de helft van de verkoopprijs.

 

De fiscale administratie formuleerde een fiscale navordering in hoofde van de echtgenoot die het onroerend goed voor zijn beroepsactiviteit had gebruikt.  Deze had slechts de helft van de meerwaarde als belastbaar aangegeven, omdat hij ook slechts de helft van de verkoopprijs had ontvangen.  De administratie was het standpunt toegedaan dat deze echtgenoot moest worden belast op het geheel van de meerwaarde, aangezien hij het goed voor zijn beroepswerkzaamheid had gebruikt en ongeacht het feit dat hij slechts de helft van de verkoopprijs had ontvangen.

 

HCGB Advocaten kon de Rechtbank van Eerste Aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Brugge overtuigen dat een belastingplichtige niet kan worden belast op een inkomen dat hij niet zelf heeft behaald.

 

In deze specifieke zaak werd de meerwaarde pas gerealiseerd na de echtscheiding.  Op dat tijdstip behoorde het onroerend goed in onverdeeldheid toe aan de voormalige echtgenoten.  De echtgenoot die het onroerend goed beroepsmatig had gebruikt, was nog slechts voor de onverdeelde helft eigenaar van het onroerend goed.

 

De rechtbank oordeelde op 14 januari 2019 dat slechts de helft van de meerwaarde was gerealiseerd door de echtgenoot die het onroerend goed beroepsmatig had gebruikt en dat dan ook slechts de helft van de meerwaarde in zijn hoofde kan worden belast.  De fiscale administratie heeft berust in dit vonnis.

 

Willy Huber en Kim Jans.